vernieuwen Pagina Vernieuwen | Naar Beneden 
SchrijverTekst
Siuth Luap

02/05/2008
17:31:26
Titel: De schaduw van de toekomst (2)



"Ja, daar schrikt u van, nietwaar, uw edelbaarheid?", zei de verschijning en draaide zich naar de hoek toe. "Ach ja, dat kan gebeuren bij ongevraagde brutaliteit. Uw metgezel heb ik daar ook al op gewezen. U hoeft echter niets te vrezen, als u geen vreesbare acties onderneemt. U laat zich met nogal veel vergezellen. Ik vraag me af of dat wel zo verstandig is. Iedereen kan u verraden en iedereen kan u aanvallen. U bent zo makkelijk in de val te lokken, zonder dat iemand dat door heeft."
Tolecnal bleef met alle voorzichtigheid om zich heen kijken. Hij zag in een ruïnemuur achter de bewoner een zeer vergane deur, althans een soort versperring die leek op een deur.
"Inderdaad uw hoogheid, daar ben ik naar binnen gekomen, toen ik u met uw gezellen zag aankomen in de verte. Ik heb jullie staan opwachten. Het duurde zo lang, ik werd er ongeduldig van. Wat heeft het voor een zin om zo lang te staan kijken naar een mogelijk gevaarlijke ruïne."
Tolecnal dacht dat het geen kwaad zou kunnen dat de verschijning bleef doorpraten, dan had jij de tijd om alles goed in zich op te nemen, en voor gevaar gewaarschuwd te zijn.
"Daarachter ligt een Rijk, waar u geen verstand van heeft en daar is niemand ooit geweest. U zult daar ook nooit komen. Te veel macht daar en te gevaarlijk. Ik ben ontsnapt en daarom ben ik hier. U zult zich afvragen wat voor een Rijk ligt daar? Dat kan ik u alleen laten voelen, zonder alles duidelijk te maken in taal. Als u uw hart openstelt voor alle mogelijke gevoelens dan kan ik deze u laten openbaren. Maar wees voorzichtig, want de macht van dit Rijk is zo groot, dat zelfs mensen met een grootheid zoals u kunnen bezwijken. Ik zal u helpen, zoveel als ik kan."
Tolecnal en Solatnat keken elkaar aan en wisselden een veelbetekende blik uit. In dit soort onduidelijke situaties voelden zij beiden elkaar feilloos aan. Ze wisten dat ze te kiezen hadden tussen gewoon verder gaan of zich openstellen en het mogelijke gevaar recht in de ogen te kijken. Tolecnal zag dat Solatnat wilde weten wat deze verschijning te zeggen had en waar die vandaan kwam. Evenzo merkte Solatnat deze zelfde gevoelens bij Tolecnal op.
"Goed, edelachtbaren, als jullie dan beiden dit Rijk zien dan zal ik eerst iets meer over mijzelf vertellen. Ik word wel de Kluizenaar genoemd omdat ik meestal alleen ben en zelden door anderen wordt gezien. Bovendien stel ik het niet op prijs om veel met anderen te spreken of bij anderen te zijn."
Tolecnal dacht hier anders over. Hij had nog niets gezegd, en deze verschijning bleef maar aan de praat. Hierop kon hij opmaken dat de ruïnebewoner inderdaad waarschijnlijk al heel lang alleen was geweest.
"Wat is dan mijn Kluis, zult u zich afvragen? Waar vertoef ik dan zoal een groot deel van mijn dagen? Dat is eenvoudig, dat is hierachter deze vergrendeling. U kunt als mens achter deze deur niets waarnemen, maar er is daarachter een rijke schakering aan ervaringen waar te nemen, als u eenmaal in dat Rijk bent beland. Niet makkelijk om daar te komen, oh nee. In de holen en spelonken van mijn geheugen zal ik zoeken naar zaken die nu van belang zijn. Met al mijn wijsheid zal ik zaken aan u laten verschijnen, die voor jullie van belang kunnen zijn."
Er spoot opnieuw een fluim uit de mantel op de grond, nu vlak voor de voeten van Tolecnal. Hij sprong achteruit maar dit maakte geen echte indruk op hem.


V. Verborgen strijd (het land van angst) - (1)
Het gezelschap daalde van de steile berg af, en liep langs zeer smalle bergpaden naar beneden, op weg naar de immens uitgestrekte groene vlakte. Aan de rand staken rotsketens recht omhoog, waardoor dit land rust leek uit te stralen. Hier leek vroeger altijd kalmte geweest te zijn maar schijn bedriegt meestal. Aan het eind van het vergezicht was een heuvel zichtbaar. Daarnaast lag een cirkelvormig meer met kleine bomen en struiken er omheen. Dit was ongeveer de enige groene hogere begroeiing die te zien was, de rest was hoofdzakelijk gras, kleine doornstruiken, kale rosten en hele stukken waren bedekt met stoffig stuifzand.
Ze liepen naar de heuvel vlak naast het meer. Naarmate ze dichterbij kwamen, werd het uitzicht steeds luguberder en vreemder. Er stonden wel honderden skeletten op stokken, keurig in rijen naast en achter elkaar opgesteld op de heuvel. De schilden leunden tegen de botten, als teken voor oude glorie. De prachtige tekens en tekeningen die eens op de verdedigingswapens opgedrukt stonden, waren in de loop der tijd verbleekt. De strijdborden hadden nauwelijks meer de ridderlijke glans van de oude hoogtijdagen. Zo te zien was er nooit eerder of later in enig land een treuriger slag geweest dan deze bloedige veldslag. Het vroegere rumoer van de strijd weerklonk nog over de uitgestrekte vlakte. Heel wat strijders en krijgslieden hadden hier hun laatste adem uitgeblazen.
Het meest opvallend was dat nergens in de verre omtrek schedels of zwaarden te bekennen waren. De overwinnaars hadden blijkbaar geen enkele moeite gespaard om iedere strijder te onthoofden, de resterende lichamen vast te binden op kruisvormige stokken, - dit soort afgebroken takken waren hier nagenoeg niet te vinden -, en zich volledig te ontdoen van denk- en vechtvermogen van deze krijgers. Ze stonden nog steeds fier overeind maar de geraamtes hadden hun trots en eer verloren.
De zon kwam op. De harten van het gezelschap werden zwaarder van gemoed, want ze zagen in dat ook zij zouden kunnen sterven, ook al zouden ze dan misschien edel sterven en hun dood zoals op deze heuvel altijd in herinnering blijven. Toen de zonnestralen in het ochtendgloren door de dauw begonnen te breken, leek het graftafereel steeds droeviger. Of er een hevige strijd gewoed had, was niet meer af te leiden uit deze Tekenen der Tijd. Deze onthoofde strijders waren mogelijk in hun nachtelijke rust gestoord en verrast door een garde van de donkere schaduw.
Tolecnal was in gedachten verzonken, vooral door de trieste blik van dit geheel.
"Tolecnal", zei een stem, " weet je wat dit te betekenen heeft?"
Tolecnal keerde in gedachten even kort terug naar zijn jongensjaren die hij had doorgebracht in de lemen hut. Hij had veel geleerd maar hij vroeg zich af of dit niet te hoog gegrepen was voor hem. Waren dit tekenen van de donkere schaduw die weer over de aarde vielen?
"Tolecnal, Tolecnal", zei de stem nog een keer, " weet je wat dit zou kunnen betekenen?"
"Vrouwe", zei Tolecnal onzeker, " dit zijn zaken die te groot zijn voor mij. Laat me even alleen. Ik wil over deze dingen nadenken. Blijf wel in uw wapenuitrusting en wees op uw hoede. Deze heuvel straalt kwade geesten uit die ons net zoals deze strijders plotseling kunnen overvallen."
Tolecnal ging op een randje aan het meer zitten om over al deze moeilijke zaken en over wat hij het beste kon doen na te denken. Met de opkomst van de zon leek het meer er prachtig en rustiek uit te zien. Het donkere oppervlak van het meer was als van glas. Hij was al enige tijd verzonken in gedachten.
Een stem, zacht en verlokkend, scheen "Tolecnal!" te fluisteren. Tolecnal keek achterom maar zag niets. Hij hoorde heel zacht verlokkende liederen zingen in zijn hoofd. Deze liederen waren zo verleidelijk dat hij nagenoeg niet meer helder kon nadenken. Tolecnal werd bevangen door de vleiende liederen. Hij ging staan en raakte steeds meer in verwarring, de controle over zijn ledematen raakte hij bijna kwijt. Tolecnal werd door een duistere macht gedwongen het meer in te lopen. Hij werd steeds meer het meer in gezogen en hij stond al tot zijn middel in het gitzwarte water. Tolecnal dreigde te vallen en te verdrinken maar hij bezat nog net voldoende kracht om snel te beslissen hoe hij niet beïnvloed zou worden door deze verleiding. Tolecnal griste een doek uit zijn wapenuitrusting, smeerde deze in met gesmolten was uit een flesje en scheurde het doek door midden, waardoor er twee kleine vochtige repen ontstonden. Nadat hij de stroken opgerold had in zijn handpalmen, had hij net genoeg tijd om ze in zijn oren te stoppen. Eerst kon hij nog net voldoende horen van de invloedrijke zilverachtige liederen maar naarmate de doeken proppen verder in zijn oren doordrongen hoorde hij steeds minder en op het laatst hoorde hij helemaal niets meer van de duistere omgeving. Hij was nu gevangen en opgesloten in zijn eigen wereld maar gelukkig hoorde hij het gezang niet meer. Hij keek opgejaagd om zich heen en zocht kontact met de anderen maar kon ze niet vinden. Waarschijnlijk hadden de anderen helemaal niet door wat er met hem aan de hand was. Hij hoorde zijn eigen hartslagen steeds sneller bonken tegen zijn oorvliezen. Nu herstelde hij zich snel en hij kreeg weer macht over zichzelf. Het hele meer lag verhuld in een dikke deken van mist, vette smerige dikke mist. Gelukkig hoorde hij de zilverachtige stemmen niet meer en hij probeerde zich uit het drappige water te sleuren.
Hij kon slechts even opgelucht ademhalen want er wachtte hem alweer een nieuw gevaar. Hij werd verder het meer ingezogen, ook al probeerde hij zich met kracht te verzetten, en uit het meer te komen. Het water in het meer begon te kolken en maakte een draaiende beweging en duwde Tolecnal in de richting van het midden van het meer.
Hij zag twee wezens in het oog van de draaikolk. Zijn koers leidde naar twee monsters. De monsters stonden zo dicht op elkaar, dat als je het ene monster probeerde te ontwijken, het bijna onmogelijk was niet ten prooi te vallen aan de aanvallen van de ander. Doodsbang en in de steek gelaten bracht Tolecnal door in het meer. Het linker monster met zes koppen leek iedereen te kunnen verslinden die binnen zijn bereik kwam, en het rechter monster leek een enorme draaikolk op gang te kunnen brengen, die zelfs de grootste wezens moeiteloos in haar klauwen naar beneden kon trekken. Tolecnal liet zich door de draaikolk meeslepen maar niet zo ver dat hij door het rechter monster naar beneden getrokken kon worden. Hij zwom met alle macht naar links in de hoop dat hij niet weggezigeb zou worden door het linker monster. De zes koppen gingen vreselijk te keer, wild zwaaiden de koppen in de lucht en ze maakten afschuwelijke gromgeluiden. Tolecnal greep zijn zwaard uit de schede en begon in het wildenweg om zich heen te slaan en zwaaien. Sommige koppen deinsden terug met de angst geraakt te worden, terwijl de andere koppen Tolecnal probeerden te raken en beschadigen. Een van de koppen steeg hoog in de lucht en sloeg met een enorme klap op het water en dit bracht een grote golf op gang. Tolecnal zag dit en probeerde gebruik te maken van de kracht van deze draaigolf. Hij stroomde mee met de enorme golf vlak langs het grote monster en werd met immense kracht op het zand langs het meer geworpen. Hij was even van de wereld maar hij hernam zich snel en kroop verder terug van het meer af om in ieder geval niet door een van de monsters aangevallen te kunnen worden. De twee monsters gingen nog kort wild te keer. Toen het duidelijk was dat Tolecnal niet te raken was, verdwenen de monsters in het meer. Een laatste grote kolk draaide om de monsters heen en toen waren ze verdwenen onder het zwarte wateroppervlak. Tolecnal ging zitten om op adem te komen. Zijn hart bleef maar bonken tegen zijn trommelvliezen. Toen hij de vreemde wezens niet meer zag, haalde hij voorzichtig een van de wassen proppen uit zijn oor. Toen hij de zilverkleurige liederen niet meer kon horen, haalde hij de andere prop uit zijn oor.

V. Verborgen strijd (het land van angst) - (2)
Het gezelschap zat rustig bij de heuvel te wachten totdat Tolecnal zou terugkeren, terugkeren van zijn zware overpeinzingen. Tolecnal deed dit wel vaker om door rust en nadenken meer grip te krijgen op de koers die ze moesten gaan. Tolecnal was verdwenen achter de kleine heuvel aan het meer. Ze hadden een kampvuur aangemaakt en zaten rustig bij elkaar wat te eten van de restanten die ze nog bij zich droegen in de draagzakken. Toen ze op adem aan het komen waren, verscheen Chimaria vlak voor hen. Chimaira was een wezen dat zijn ontstaan te danken had aan de lagere godheden. Dit monster was van voren een leeuw, van achteren een draak en in het midden een geit. Uit zijn bek kwam vuur en een verterende adem. Chimaira naderde zeer langzaam en controleerde de omgeving met al zijn ogen, de leeuw sloop steeds dichterbij, de geit hield beide flanken in de gaten, en de draak keek voortdurend licht met zijn kop draaiend naar achteren. Gelukkig stond de wind niet in hun rug, waardoor de geur van het gezelschap het monster niet nog wilder en kwader kon maken. Chimaria ontdekte het gezelschap en rende op hen af. Het wezen was duidelijk van zin om hen te verslinden. Solatnat vloog overeind en meer dan welk ander sterfelijk wezen ook begon hij met zijn immens grote zwaard in de hakken op Chimaira. Het monster deinsde naar achter maar niet ver genoeg om geen gevaar voor het gezelschap te zijn. Ze hoopten dat Tolecnal nog net op tijd terug zou komen om dit monster helpen te bestrijden. "Tolecnal, Tolecnal !", schreeuwde hij. Solatnat gaf de anderen opdracht hun fakkels aan te steken en naar Chimaira te lopen en daarbij wel al zijn gevaarlijke bewegingen goed in de gaten te houden en een kleine opening te maken waardoor het monster zou kunnen vluchten. Iedereen pakte een fakkel en ontstak deze aan het kampvuur. Van alle kanten omringden ze nu het monster, met voorzichtige toenadering. Chimaira begon wild met zijn lijf en koppen te bewegen en het was duidelijk dat het monster in het nauw werd gedreven. "Tolecnal", schreewde Soltanat nog maals, maar nu met veel meer geluid. De drakenbek vatte dit op als een aanval en spuwde weer vuur en verterende adem. Iedereen sprong op tijd op zij om te zorgen dat de verbrandende vlammen niemand kon raken. De leeuwenkop gromde en grauwde. Iedereen van het gezelschap ging met hun fakkel om het monster heenlopen in een cirkel. Chimaira probeerde iedereen in de gaten te houden om een aanval te kunnen inzetten. Chimaira ging steeds sneller draaien om zijn eigen as. Ze lieten bij het draaien voortdurend een kleine opening ontstaan waardoor het monster dacht te kunnen ontvluchten. Chimaira bleef maar vuur spuwen, de leeuw ging steeds kleinere rondjes draaien totdat uiteindelijk de drakenkop een gruwelijk vuur en verterende adem verspreidde die vlam vatte in de haren van de leeuwenkop. De geitenbek begon in paniek rond te draaien en te gillen. Solatnat had zich bij de kleine opening opgesteld en had zijn pijl en boog op spanning, in de aanslag. Hij concentreerde zich op de kop van de draak en schoot snel achter elkaar pijlen af. De pijlen raakten de draak midden in de kop en het vuurspuwen hield op. De brandende leeuwenkop voelde zich in het nauw gedreven en zette het op een lopen, precies door de opening van het gezelschap. Toen Chimaira op of over Solatnat wilde springen opende Solatnat een spervuur van pijlen op de kop van leeuw. Tolecnal kwam over de heuvel aangesneld en rende op het monster af. Hij hief zijn zwaard hoog in de lucht en benaderde Chimaira van achter. Het monster dreigde Solatnat te bedelven maar hij kon nog net pijlen afvuren op het laatste levende deel, de geitenkop. Tegelijkertijd priemde Tolecnal zijn zware zwaard in het zware lijf. Het monster brulde een laatste kreet van leven en het viel met zijn volle gewicht op het lichaam van Solatnat. Chimaria was dood, zwaar maar dood. Solatnat rolde onder het monster vandaan en keek triomfantelijk naar dit duistere monster van lage godheden.

VI. De Koning sterft

De koning moest zich verdedigen tegen de volken uit het zuiden en uit het oosten. Hij was nog zeer jong en moest het strijden nog leren. Hij was de vorst van een gigantisch rijk: van de Heilige Sneeuwbergen, dwars door de Gele Woestijn tot aan de Middenzee.
Op een mooie dag reed hij op een triomfantelijke tweespan met twee prachtige zwarte paarden er voor. De paarden werden aangespoord door de strijdlustige vorst. Hij was nog jong dus hij wist nog niet precies wat strijdlust betekende. De koning was aan het oefenen voor het echte strijdtoneel. Hij reed hard op zijn wagen over een heuvel en de paarden werden aangezweept. Vlak achter een scherpe woestijnheuvel was een diepe kuil die hij niet gezien had. Een van de wielen van de tweespan reed hard door het gat. Hij werd van de kar geslingerd en kwam al rollend hard op de grond neer. De paarden denderden door en waren binnen de kortste keren buiten zicht. De jonge koning bleef achter in hevige pijn. Hij lag gebroken in het hete zachte woestijnzand. Bloed liep uit zijn knie. Zijn borstkast was beschadigd, waarschijnlijk was een aantal ribben gebroken.
De verwonding aan de knie was zeer ernstig. Hij kon mogelijk niet meer lopen, zelfs niet meer op dat been leunen. De koning had inmiddels al veel bloed verloren. Waarschijnlijk waren de ribben door een van de longen gepriemd. Het leek wel of de longen waren ingeklapt, ademhalen was ook moeilijk geworden.
De koning werd door zijn bedienden voorzichtig op een draagkar gelegd en teruggevoerd naar zijn paleis. Zijn vrouwen besteden veel aandacht aan hem. De kapotte knie bleef maar bloeden en hij kon nog steeds niet goed ademen. Deze verwondingen veroorzaakten daardoor een reeks van lichamelijke problemen. De vorst ging lichamelijk steeds meer achteruit.
De positie in de historie van de jonge vorst bleek vergankelijk. Het was het einde van het gigantische koninkrijk. De gestorven koning had een goed leven geleden. Het ergste wat de koning kon overkomen was hem overkomen: een vloek. De vloek van vergetelheid.


VII. De Schrijn van de Richter
Tolecnal en de groep liep over de heuveltoppen die bedekt lagen met een egale laag sneeuw. De straffe wind blies de dwarrelende sneeuwvlokken door de grauwe lucht. Het was daardoor koud en guur. Ze liepen langs een door sneeuw witte richel. Tolecnal keek over het wijde landschap beneden. Enorm kwam de omgeving op hen over: de stijle rotstoppen, de uitgebreide sneeuwvelden en het diepe panorama naar beneden. Hun voeten werden steeds kouder maar ze gingen door. Ze moesten op tijd de Schrijn bereiken.
Ver voor hen uit zagen ze de Schrijn van de Richter. Toen ze nog een aantal uur hadden gelopen, kwamen ze uiteindelijk bij een marmeren trap. Plotseling klaarde de lucht op. De lucht veranderde naar hemelsblauw. In het voorhof stonden uitgebreide fonteinen. Het water liep uit de fonteinen uit op een grote marmeren vloer. Achter de watervloeren dekten tempels de rotswanden die er achter lagen af. Toen ze bovenaan de trap kwamen zagen ze een lange zuilengang. Aan beide kanten stonden dertig pilaren. De eerste tien marmeren pilaren hadden een koperen voet. De daarop volgende tien hadden een zilveren voet, en tenslotte de laatste tien een gouden voet. Op iedere pilaar was precies in het midden een houten rand gemonteerd. Behangsels van planten hingen aan de gouden zuilen, van boven tot aan de grond.
Tolecnal liep voor de groep uit door de zuilengang. Het stromende water aan de zijkanten was goed te horen, een kabbelend geluid. Het kwam verradelijk idyllisch over. Aan het eind was een loden deur, waar aan beide kanten een wacht stond. De wachten blokkeerden de doorgang door hun lansen te kruisen.
"Wij komen in vrede", sprak Tolecnal snel voordat de wachters iets konden zeggen.
"Wie vertelt ons dat gij niet met verkeerde bedoelingen deze Schrijn wil binnendringen?" zei de linker wachter.
"Realiseert u zich dat wij u beiden allang hadden kunnen omleggen?"
"Wie geeft aan dat wij u allen niet zouden aankunnen?"
Tolecnal greep zijn zwaard en richtte die op een van de wachters. De anderen van de groep hielden de andere wachter onder slag.
"Ik hoop voor u dat uw zwaard net zo scherp en stoer is als uw tong?", reageerde de wachter en hij richtte zijn lans op Tolecnal. Tolecnal duwde zijn zwaard nog verder in de richting van de wachter tot vlak bij zijn gezicht. De wachter bleef staan maar zijn ogen straalde angst uit.
"Wij begrijpen de ernst van deze situatie. U kunt binnentreden in de Schrijn van de Richter." De wachters trokken hun lansen weer terug en gingen weer rechtop op wacht staan.
Tolecnal duwde de zware loden deur open en trad binnen. De groep volgde hem op de voet.
De eerste ruimte van de Schrijn van de Richter was groot en hoog. Het plafond was koepelvormig. Op de windrichtingen liepen stijle trappen omhoog. Wat daarachter lag kon niemand zien. Midden onder de koepel bleven ze omhoog staan kijken, zo indrukwekkend was wat ze zagen.
Een zware harde stem nam het woord: "Recht spreken is belangrijker dan menigeen denkt. U komt hier opdat ik recht zal spreken in de veronderstelling dat ik uw achtergrond en situatie volledig kan overzien." Ze konden niemand zien maar ze hoorden de trilling van het geluid van boven komen. Het was een fluisterruimte.
"Uw vader is vermoord om onduidelijke redenen. Onterechte argumenten zijn gebruikt om de dood te rechtvaardigen. De mensen om hem heen zouden hem gedemoniseerd hebben, waardoor bepaalde groeperingen uitermate geirriteerd raakten en zich lieten verwarren. Maar dat mag nog geen reden zijn om iemand om te leggen. Wat kan een Koning verkeerd doen om zo een actie tot gevolg te hebben? Zichtbaar ben je inderdaad als Koning. Iedereen heeft een mening over zijn optreden. Sommigen positief, anderen beoordelen dat negatief. Veel negativisme kan volgens een opwaartse spiraal het ongewenste effect hebben. Deze ronddraaiende beweging moet actief gestopt of omgebogen worden. Maar hoe?, kan ik me voorstellen dat u zich afvraagt?¨
Tolecnal kon het nu niet laten te reageren. ¨Hoe kunt u deze dingen weten, van iemand die u zelf nooit ontmoet heeft? U beoordeelt mensen en situaties die u alleen van afstand kent. U beoordeelt mijn vader. Weet wat u zegt! Recht spreken kan alleen als alle persoonlijke overwegingen en situatiedetails bekend zijn, is mijn ervaring¨.
"Wat is recht? Wat vermoedt u dat recht is? Wat is recht naar waarheid? Wat is rechtspreken? Wat is de waarheid? Allemaal vragen die lastig te beantwoorden zijn.Het recht handelt over de mens, zijn waardigheid, zijn wil en zijn vrijheid deze te uiten. Maar wat is vrijheid? Het gaat dan meestal om de vrijheid van het willen, van de wil."
Langs een van de trappen kwam een kleine man naar beneden. Tolecnal draaide zich naar de man toe, de anderen deden dat ook.
"Maar wat is dan weer wil? Sommigen zeggen dat de wil het bewuste vermogen is van de mens om van een gedachte of een geheel van gedachten, een plan, over te gaan naar een handeling om een toestand te bestendigen, te veranderen of te doen ingaan. Niet eenvoudig niet? Deze begrippen op elkaar te betrekken? En dan spreekt u over de waarheid van uw vader? Misschien was het zijn wil wel om te sterven?"
De man had een wit gewaad aan. Hij droeg een gouden stok met diamanten versierselen. Op het gewaad blonken ook diamanten versierselen. Zijn gezicht gaf een oude en wijze indruk: een grijze lange baard, rimpels van levenservaring, een blik in de ogen die rationele diepte verraden.
"U kunt niet met wijsheid en ervaring spreken over mijn vader. Ik kende hem zelf nauwelijks, laat staan dat u hem op afstand heeft meegemaakt.", snauwde Tolecnal een beetje van zich af.
“Het gaat er meestal niet om dat u de persoon in kwestie of de omstandigheden precies kent. De richter gebruikt een rechtensysteem dat in de loop der jaren is opgebouwd. Anders kan hij niet.”, lichtte hij enigszins vaag toe. De Richter liep verder de trap af en kwam in de grote ronde hal. Met zijn staf heen en weer stotend op de grond kwam hij dichterbij.
“Ga u zitten op de heilige grond dan praten we verder.”, zei de Richter dwingend en toch uitnodigend.
Iedereen ging op de grond zitten om de Richter heen. De Richter zelf had moeite om met een vloeiende beweging op de grond te gaan zitten, hij steunde duidelijk op de stok.
“U komt hier naar toe een rechtspraak te laten doen, als ik het goed heb begrepen. De boodschapper heeft mij dat aangegeven. Bent u van mening dat ik dat zo goed heb begrepen?”
Tolecnal moest dit beamen, want hij wilde inderdaad graag weten wat de Richter vond van het doden van zijn vader. Hij begon te vertellen. Ook al had hij zijn vader nauwelijks gekend, hij had een onrechtvaardig gevoel bij het verhaal dat hij had gehoord van zijn vader. Ridders waren het kasteel binnengedrongen en hadden de wachters vermoord. Zijn vader lag te slapen en werd verrast door een groep van soldaten. Een daarvan had een zwart kostuum aan. Volgens de overlevering kende de Koning deze Zwarte Ridder. In de slaapkamer hadden ze eerst nog een uitgebreide woordenwisseling. Hij werd vervolgens uitgedaagd om beneden in de grote hal een zwaardgevecht uit te vechten. De Koning had zijn edele zwaard opgehaald en gingen mee naar de hal. Na een zwaar en bloedig gevecht was de Zwarte Ridder verslagen. In een roes van overwinning dacht zijn vader de zaak geregeld te hebben maar de andere soldaten wierpen zich onmiddellijk tegelijk op hem. Hij kon zich even staande houden maar uiteindelijk moest hij zich omdat hij steeds vermoeider raakte de mindere bekennen. Tenslotte konden enkele soldaten hem de genadesteek toedienen. En daar zat precies de onrechtvaardigheid, althans dat vond Tolecnal. De Koning had het gevecht van de Zwarte Ridder gewonnen maar de grote groep vechters was teveel voor hem. Hij had met trots en fermheid zijn zwaard opgepakt om de strijd aan te gaan maar tegen zo een grote overmacht, daar valt niet tegen te vechten.



 Naar Boven

Reageer op deze Tekst:

Naam:
Email:
Publiceer mijn E-mail:
Titel:
Proza: