| Schrijver | Tekst |
| Siuth Luap
02/05/2008 17:28:29 |
Titel: De schaduw van de toekomst (1)Proloog: Ten Tijde van de Koning Dit verhaal is geschreven opdat alleen de waarheid over Tolecnal en de rol die hij speelde in de tijd van de Koning en diens tragische dood. Vele anderen hebben dit verhaal vertelt. Sommigen waren getuige van wat er zich werkelijk heeft plaatsgevonden. In de volkse traditie van mondelinge overlevering gaven zij door wat zij hadden gezien en gehoord. Anderen hebben geprobeerd beschrijvingen te maken van de gebeurtenissen. Een van de ooggetuigen van de gebeurtenissen uit die tijd was mijn vader, Tolecnal. Ik, Benjamin, zoon van Tolecnal, zijn eerstgeborene, luisterde naar de verhalen van mijn vader in die tijd, en ik heb al wat hij zag en hoorde nauwgezet opgeschreven. Mijn vader heeft mij grootgebracht in de traditie van de Koning. De laatste tijd verschijnen er andere verhalen met eigen versies van wat er tijdens Tolecnal's leven heeft plaatsgevonden. Slechts enkele geven een betrouwbaar beeld, en waarheidsgetrouw verslag van wat mijn vader in die periode van onze geschiedenis heeft gedaan. De andere verhalen geven blijk van weinig begrip voor de hartstochtelijke geloof in gerechtigheid en rechtvaardigheid van mijn vader, Tolecnal, en de Koning. Zij hebben de naam van mijn vader vaak bezoedeld en zwartgemaakt. In hun vastbeslotenheid om hun versie kracht bij te zetten hebben sommige gezegd dat zijn naam afkomstig is van het woord otleknii, dat ' dolkdragende dweper' betekent. Anderen hebben gezegd dat zijn naam afgeleid is van het woord teqoc , de 'valse ridder'. Beide is niet waar. In werkelijkheid is de naam Tolecnal afgeleid van het woord toe-leknali, en dat betekent 'naar de glans gekeerd'. Als kind luisterde ik naar de verhalen van mijn vader over zichzelf en over de Koning, en later zette ik zijn woorden op schrift, ondanks alle tegenslag van anderen. Mijn vader Tolecnal is nu teruggekeerd na zijn lange reis om rust te vinden. Ik zal hem altijd liefhebben en trouw blijven, ondanks alle valse verhalen over hem. Daarom heb ik dit alles op schrift gesteld. I. De Koning is dood Toen de heerser van het Witte Land bekendmaakte, dat zijn zoon op termijn de taak als koning zou gaan overnemen, werd dit het gesprek van de dag. Natuurlijk zou er een dag komen dat hij dit zou gaan overnemen. Het koninklijk echtpaar was van mening dat deze goed voorbereid moest zijn. De Koning zelf was altijd goed geweest voor het volk van het Witte Land. De Koning had in de loop der jaren veel goud, goederen en schatten meegenomen uit andere landen naar zijn kasteel en hij wilde altijd dat zijn volk deelde in deze rijkdommen. In het Witte Land leefde iedereen naar zeer grote tevredenheid. Er was zeer lang vrede geweest, en tot dusverre waren moeilijkheden uitgebleven. Vredig en kalm ging het er toe in het Witte Land. De Koning zorgde voor een goede bescherming voor de mensen die er woonden, alhoewel hij zich ter degen realiseerde dat er altijd plotseling een ommekeer kon ontstaan door krachten uit andere delen van het land. De Koning had wel enkele eigenaardigheden maar niemand vond dat deze leidde tot gevaar voor het land. Hij maakte geen misbruik van zijn macht of van zijn goed getrainde leger. Hij was nogal gesteld op zijn uiterlijk. Hij wilde er altijd goed gekleed uitzien, zoals een echte Koning betaamt. Als hij zich onder de mensen begaf, dan sloeg hij altijd zijn donkerrode Koningskleed om en hij liet zich de met diamanten versierde kroon opzetten. Onder het donkerrode Koningskleed droeg hij een groen vest met een donkerblauwe broek. Over het groene vest droeg hij een maliënkolder met gouden ringetjes. In zijn rechterhand hield hij een groot zwaard vast, en zijn linkerarm lag voortdurend voor op zijn borst, als teken van koninklijke eer. Hierdoor ontstond een edele verschijning waar iedereen respect voor had. Het zwaard was van vroegere tijden, toen er nog geen koningen met zwaarden waren. Het zwaard werd Mesglitter genoemd omdat het zo scherp was dat het ging schitteren als er licht op viel: het licht kaatste alle kanten op en kreeg daardoor de vorm van een aureool. Dit was zo indrukwekkend dat de meeste mensen hier bang van werden. Het koninklijk echtpaar had meerdere kinderen maar de oudste van hen was veruit hun favoriet. Toen de Koning inzag dat hij binnenkort de kroon zou moeten overdragen, en de oudste zoon zijn belangrijkste erfgenaam was, sprak hij steeds vaker met zijn zoon. De Koning vond dat hij met hem mee moest gaan naar belangrijke besprekingen met allerlei adviseurs. Hij moest een degelijke opleiding krijgen, niet alleen van die zaken die belangrijk zijn als aankomend koning maar ook van zaken die daar ver van staan, zoals volkenkunde, strijdkunde, taalkunde, stoffenkunde en sterrenkunde. De zoon was nog zeer jong, volgens sommigen was hij nog nauwelijks in staat om Mesglitter volledig in de lucht te tillen. Hij speelde nog het liefst met andere jongens, zonder zich te bekommeren om zulke grote zaken als Koningschap. De Kabouter woonde in de buurt van de overblijfselen van een grafheuvel. Hij was bang dat nieuwkomers zijn gebied met geweld zouden veroveren, daarom woonde hij diep in het Woud. De plaggenhut was nagenoeg niet te zien vanaf de rand van het Woud. Een ring van bomen en takken maakten de hut onzichtbaar. De Kabouter woonde in een kleine leefgemeenschap, slechts met enkele andere leden van het Kleine Volk. Hij was klein van stuk, zelfs voor een kabouter. Hij had boven zijn gerimpelde gezicht een petje tegen de zon, een grijswitte baard, zware wenkbrauwen en indringende ogen. Verder droeg hij een katoenen grijs jasje, en een wijde zwarte broek. Over het jasje hing een ketting, van de bovenste knoop naar een jaszakje. Hij liep op houten schoenen, bedoelt om droge en warme voeten te houden. Hij had vaak een gebrek aan goed voedsel. Hij woonde in een kleine verblijfplaats, in een plaggenhut, half onder de grond. De hut was bedekt met takken en strobalen. De kabouter, de Dwerg zoals hij genoemd werd, was met een schepersschopje een gat aan het graven om daar het laatste voedsel in te bewaren: een homp brood, een stuk vlees en wat fruit. Een donkere schaduw viel over al het land en de bergen. De wind ging overal liggen en viel helemaal stil. De zee was zeer woest geweest maar werd beangstigend kalm. Zo glad als een spiegel. Het maanlicht weerkaatste scherp op het wateroppervlak en brak langs de waterkant op de hoge eeuwenoude bomen. De aardbewoners keken verschrikt omhoog en hielden hun adem in om er zeker van te zijn dat ze het volgende moment bewust zouden meemaken. Ze probeerden dichter bij elkaar te gaan staan zodat ze elkaars geur konden ruiken, bewegingen konden zien en elkaars steun konden voelen. Overal dromden ze bij elkaar. Ze hoopten dat dit niet zou zijn wat sommigen hadden voorspeld. Niemand kon precies aanduiden wat er komen ging, maar dat het onheilspellend zou zijn dat voelde iedereen tot diep in zijn wezen. De sfeer verkilde als een dier dat in het Koude Noorden in een Winternacht, na een lange dag van rennen en lopen opgejaagd wordt door de onzekerheid dat er nog natuurlijke vijanden zouden kunnen zijn op korte afstand. Verstijfd door het onheil, de benen diep in de sneeuw, de vochtige neus in de ijzigkoude damp van de nacht, liet de uitgeademde asem mistige witte flarden achter op de donkere horizon. De kleine man kwam uit zijn lemen hut. Van scriven comt mi cleine bate Ende minen raden mi dat ict late Ende minen sin niet en vertare. Ic waende, dat die alfs gedrocht ware Fraeye historie ende al waer Mach ic u tellen, hoort naer. Het was op enen avontstonde Dat coninck slapen begonde Tebergen op de gelijn Dlant was alle gader sijn. Hi was vader ende coninc mede. Hoort hier wonder ende waerhede.... Die coninck lach ende sliep, Een ridder aen hem riep So dat die coninc ontbrac Biden woerden die de ridder sprac Ende seyde: "Staet op, edel man, Doet haestelic u cleeder an Wapent u ende vaert strijden. "Hi seide dat hier soude vermyden in die sale een ridder, tes als swart Hi zelve die trac hem achter Doen ne wisti welken varen tien tiden kinde hi hem. De Koning lag in een houten kist op een baar. Over de houten kist lag een donkerrood kleed, het afscheidkleed van het koningschap lag gedrapeerd over de ondergegane edelmoedigheid. Voor de baar liepen vier zwarte statige paarden in rustige pas over de zandpaden, dwars door het land om de bewoners de mogelijkheid te geven om afscheid te nemen van hun Koning. De paarden waren prachtig geborsteld en ze glansden in het scherpe zonnelicht. Soms kaatste het licht zo scherp terug, dat de omstanders hun handen voor hun ogen moesten houden. Hierdoor kreeg het afscheid een magische glans. De kijkers waren onder de indruk van deze gouden krans van grootsheid die op hun gezichten straalde. In lange rijen stonden de mensen te kijken langs de zandpaden en ieder nam op zijn eigen manier afscheid van de Koning. Iedereen wilde een glimp opvangen. De meeste mensen stonden met hun hoofd te neer geslagen te kijken naar de voorbijtrekkende stoet. Ze konden het nog steeds niet geloven wat er gebeurd was. Enkelen waren anderen opzij aan het duwen om toch nog een glimp te kunnen opvangen. Een grote gedaante met een zwarte mantel en zwarte kap liep gelijk op met de stoet. De gedaante liep zo onopvallend mogelijk achter de rijen mensen langs. Niemand sloeg acht op deze zwarte schaduw. Af en toe bleef de Zwarte Mantel stil staan en richtte de zwarte kap richting rouwstoet. Toen de koninklijke doodstoet verdween in het smalle bospad, sloop de Zwarte Mantel buiten het zicht van de mensen, richting bos, en verdween. II. De twee kabouters Twee kabouters zaten in een donkere hoek van de herberg, achter een rechthoekige houten tafel. Ook al waren ze vergeleken met de andere gasten klein, ze vielen niet echt op. Ze spraken zacht. De andere gasten waren zeer luidruchtig. Iedereen besprak de zaken van de dag. Er werd stevig gedronken en de uitspanning trilde onder het gelach. De linker kabouter, genaamd Toon d'n Dwerg, zei: "Je had hem hier niet meer moeten brengen, om mee te beginnen". Thei de Kabouter zei: " Ja maar wat moest ik dan anders?" "Zeg dat nog eens?" "Ik heb hem hier naartoe gehaald omdat ik niet anders kon. Ik werd geroepen en ik heb gedaan wat ik moest doen." "Moest doen. Moest doen. Moest je dat doen? We zullen hier nog last van krijgen.". Thei was een hele tijd stil. Hij maakte een sluitende beweging met zijn hand in zijn wilde donkere baard. Hij had opvallend laaghangende wallen. Een kleppetje dekte zijn kalende voorhoofd af. Twee riemen kruisten over zijn zwarte jasje. Aan die riemen hingen platte tassen aan zijn zijde. Naast de bank stond zijn zelfgesneden wandelstok. "Nou? Zeg eens iets. Jij neemt toch wel de verantwoordelijkheid hiervoor?", vroeg hij. Hij had een opvallend groot hoofd. Hij zag er armoedig uit met zijn afgedragen kleding. Hij had zijn schepersschopje naast hem op de bank gelegd. Zijn kleppet had hij op tafel gelegd. Hij veegde zweetdruppels van zijn voorhoofd. Hij krabde regelmatig over zijn pokdalige neus. Zijn witte baard gaf hem een wijs uiterlijk. Over zijn dichtgeknoopte grijze jasje hing een ketting in een lus. "Ontspan zeg! Misschien herkende iemand hem daar wel." Hij trok geïrriteerd aan zijn baardharen. "En als dat niet zo was?", merkte de ander op. "Het is in ieder geval beter dan hem daar achter te laten". "Wat? Hem achter laten?" "Wat wil je dat ik nu doe?" "Ze hebben zijn vader vermoord. Daarom heb ik hem hier naar toe genomen. Ik moest het." "Ze wilden van hem een vechter maken. Dat heb ik gehoord." "O ja? Goh.", antwoordde hij. "En wiens fout is dat?" "Niet de mijne in ieder geval !", snauwde zijn vriend terug. Het gesprek liep stroef en daarom hielden ze allebei een tijd hun mond. Ze keken strak voor zich uit. De andere gasten spraken uitbundig voort. De herbergier bleef af en aan lopen met een blad met drinken en eten. Achter de houten toonbank stond een jong meisje, waarschijnlijk de dochter van de herbergier. Ze was bezig met het snijden van brood en vlees, groter hompen vlees. "Het is wel mijn fout, he?", ging het gesprek weer verder. Hij kon hiermee anderen in gevaar brengen maar hij realiseerde zich tegelijkertijd dat hij dit wel moest doen. "Ik kan toch niet anders". "Waarom denk je dat ze van hem een vechter willen maken?", ging hij toch weer verder. "Omdat hij de zoon van de Heer is!" Hij had eerst gekeken of niemand in de buurt hem kon horen. Toen hij zag dat de andere gasten geen notie van hen leken te nemen, fluisterde hij het antwoord. "O juist, ja!" "Wacht, ben je daar zeker van? Is hij echt de zoon?", fluisterde hij met de hoop dat niemand hem zou kunnen horen. Aan de andere kant van de herberg zat een duistere verschijning. Alleen een grote Zwarte Mantel was te zien. De mantel was gedeeltelijk om zijn hoofd geslagen, waardoor het gezicht niet te zien was. De twee vrienden hadden deze figuur niet gezien. "Het is moeilijk te zeggen maar ik schijn het echt te geloven, nietwaar?", sprak het mannetje met iets luidere stem. Onzeker schoof hij op en neer op de bank, en pakte zijn wandelstok. De hele situatie begon hem ongemakkelijk te worden. Hij legde zijn hand op de arm van zijn vriend en trok de riemen op zijn borst recht. "Juist", gaf zijn vriend aan. " Juist, juist? Is dat alles wat je kunt zeggen?", ging hij verder. "Nou eigenlijk wel, ja. Hij moet het eigenlijk zelf weten. Nou, hij en jij samen, denk ik." "Voor een keer heb je gelijk." "Ik vraag me wel af wat het beste is...", zei hij, de vraag meer tot zichzelf richtend dan tot zijn vriend naast hem. "Waarom vertel jij hem niet wat hij moet doen?". Het leek er op dat hij wat milder werd. "Vertel hem wat?" "Een vechter te worden!". "Waarom ik? Hij zal zijn vader haten, voor wat hij was, en wat hij deed. Denk je werkelijk dat ik tegen hem kan zeggen...Ik wil graag dat je een vechter wordt net als je vader...". Hij schudde hierbij zijn hoofd meerdere malen. "Doe je niet een beetje overgevoelig?", vroeg hij zich af. Hij was toch de enige die dit kon doen. "Nou goed, ik zal het proberen. Ik zal met hem praten." "Wees wel discreet", waarschuwde Toon. "Ik weet het. Het is zijn beslissing". "Hij zou vast niet van zijn vader hebben gehouden." "Blijkbaar. Zo wordt mij ook verteld. We zullen zien". "Je vader haten. Lijkt me een vreemd luxeprobleem. Ik kan me mijn eigen ouders niet eens herinneren. Ik kan niet eens zeggen hoe ik over ze voel." Hij pakte zijn pet van de tafel, veegde nog een keer zijn voorhoofd en zette zijn pet op zijn hoofd. Hij pakte zijn schopje en leunde er enigszins op. "Ik was zelf vijf jaar oud toen, dus ik kan me ze een beetje herinneren.", sprak hij en hij mijmerde even weg naar zijn kindertijd. "Heb je die Zwarte Mantel nog gezien bij de stoet?". "Nee. Ken je hem soms?" "Nee, je weet toch dat ik daar helemaal niet was.". "Verdomme! Alles wordt ons nog afgenomen!". Hij sprak nogal luid. De andere gasten keken verbaasd hun kant op. Ze keken nieuwsgierig naar de twee, wat daar aan de hand was. De beide mannetjes doken geschrokken in elkaar en wachtten zwijgend tot de aandacht voor hen verflauwd was. Het was tijdens hun gesprek erg druk geworden in de herberg. Ze hadden het gevoel dat de gasten de belangstelling voor hun hadden verloren. De kereltjes gleden van de bank en schoven links en rechts achter de tafel vandaan. De donkerbruine voorhang viel achter hen dicht. Hun vertrek was niemand opgevallen. Niemand? Niet veel later bewoog het vettige gordijn nogmaals toen de figuur in de donkere mantel de herberg verliet. En dan begint het verhaal... III. De jongeling De Kabouter voedde de jongeling op, zo verborgen mogelijk in de bossen. De Kabouter liet niemand weten dat hij voor de kleine jongeling zorgde, behalve zijn goede vriend. De Kabouter zat rustig op een stronk hout, met wat brood in zijn hand. Hij was blij met dit moment met de jongeling tegen de trieste achtergrond, dat de Koning dood was. De jongeling was door de velden aan het rennen, en verstopte zich achter de torenhoge bomen. De jonge knaap leek wel een kabouter, en bij die gedachte moest hij binnensmonds lachen. De jongeling genoot zo onbezonnen van de omgeving. Hij mocht zomaar overal lopen en spelen. De Kabouter bedacht dan het volgende vers. Je wandelt vaak langs de bosrand en de oever van de rivier, Door het verse gras en de zware dauw, Langs de bossen, te midden van de bergen, Zorgeloos, onbezwaard, 's ochtends als het licht wordt. Mijn hart wordt licht bij het zien van dit tafereel, De velden, het landschap, de bossen, en de horizon. Genoeglijk mooi is de ligging van de bergen. Jij bent nog groen en zorgeloos, over de vrolijke velden Je zingt omdat je thuis bent. In de zon die maar een keer jong is, Tijd om te spelen en verguld zijn. Groen en verguld ben jij jager en herder, De schapen zingen bij jouw hoorn, De honden op de heuvels blaffen helder en koud. Nog geef ik niet toe, blind als ik ben, Ondertussen groeien honderd sterke jongelingen op, Bekend met rumoer, haat en twist, Zij vallen sneller aan dan bliksemschichten, Jouw hoorn zullen ze niet volgen, Jouw gril zullen ze niet gehoorzamen, Wees dus voorbereid, ook als ik er niet meer ben. Het was vroeg in de avond. Het avondrood stond aan de horizon. Een grote roodgele bol schoof heel rustig naar beneden, om te verdwijnen achter de bomen. Het licht had een speciale, donkerpaarse kleur. De zonsondergang was anders dan normaal. Rustig, zelfs zacht en vriendelijk. De wolken waren donkerblauw, met een donkerpaarse gloed. Het zag er vredig uit. De twee zaten dicht bij elkaar. Ze zaten boven op een heuvel en keken de afdalende glooing naar beneden. Ze hadden met gesprokkelde houten takken een kampvuur gemaakt op een open plek in het bos. De Kabouter en de jongeling zaten beiden op een afgebroken boomstam en ze porden wat in het vuur. Ze hadden net gegeten en waren enigszins verzadigd. "U kende mijn vader, he?", vroeg de jongeling. "Ja", zei de Kabouter kortaf. "U kende ook mijn moeder, he?" "Correct", zei de Kabouter, weer kortaf. "Waarom moest mij dit overkomen?" "Niet alles is volledig te controleren." Hij maakte een wuivend gebaar met zijn hand om aan te duiden dat sommige dingen komen en met even groot gemak weer gaan. "Leeft hij nog?" "Het hangt ervan af wat je levend noemt. Hij is wel dood maar hij leeft nog wel voort in de harten van veel mensen. Voor mij leeft hij nog voort. Hij was mijn broer." De jongeling schrok enorm en hij deinsde terug. Hij herkende iets wat een verbinding leek te maken met dingen van vroeger. Hij wilde de Kabouter dat aangeven maar hij durfde dat niet. Gevoelens van vroeger werden steeds sterker en sterker. Situaties van vroeger beleefde hij steeds meer, onbewust. Hij is zijn broer! De Kabouter sprak de volgende versregels om de jongeling duidelijk te maken hoe bijzonder zijn vader was geweest en om hem opgewekter te stemmen: Hij was een man uit een geslacht van helden, Een edel gezelschap, met vergulde helmen en grote gulheid. Een rijke en eerbare havik, Een machtig man, rechtop op zijn paard, Die snel en doortastend in de strijd toeslaat. Een wijze valk met uitgesponnen argumenten, Een hert dat niet sterft ... "Het hert is wel gestorven.", schreeuwde de jongeling hem toe. "en dat ging nog makkelijk ook. Edel gezelschap, pfff. Het paard gleed uit en de valk liet zich gemakkelijk uit de lucht schieten." De jonge knaap stond op en schopte kwaad in de grond. Zand vloog omhoog en veroorzaakte een soort mist van stof. Hij sprak verder: "Allemaal pracht en praal, waar niets van waar is. Alles is over. Mijn vader is dood! Wat moet ik zonder hem beginnen?" De Kabouter hield zich wijs stil want hier was niet veel tegenin te brengen. De jongeling moest dit zelf doormaken en verwerken. De Koning was wel degelijk een groot, edel gezelschap geweest, maar de aanval op zijn broer kwam uit totaal onverwachte hoek. Hier kon zelfs een strijdvaardige en doortastende havik niet veel tegen beginnen. De Kabouter nam zich voor om hier later op terug te komen. Ze gingen samen de heuvel af en liepen terug naar hun lemen hut. Ze moesten deze nacht hard werken, daarom liepen ze stevig door. De Kabouter legde zijn arm om de schouder van de jongeling, bijna met vaderlijke warmte. IV. De eenzame ruïnebewoner In de verte zagen ze ruines verspreid over het uitgestrekte veld, gescheiden door kleine boomstroken. Het leken dorpen van vroeger. De bewoners waren waarschijnlijk verdreven. Een van de velden was cirkelvormig met aan de rand bomen. Ze leken de vroegere bewoners bescherming te bieden tegen mogelijke indringers. Zo te zien hadden er tussen de tien en vijftien gezinnen hier hun huis gehad. De contouren van de woningen waren nog duidelijk te zien, omdat de ruïnestenen van de muren nog overeind stonden. Een voorhuis waar de mensen woonden en aan de achterkant waar de beesten hun onderkomen hadden. Hierdoor hielden ze elkaar warm. Vroeger was zo'n huis warm maar nu lagen de stenen in een open veld en was het daardoor kil en guur. Tolecnal onderzocht het terrein zeer uitvoerig, in de hoop dat hij tekenen van eerder leven zou kunnen herkennen. Behalve de ruïnestenen waren er geen recente sporen te bekennen. Solatnat liep de andere kant op en luisterde met zijn oor op de grond. Hij hoorde niets behalve het waaien van de straffe wind. Ze liepen verder. Nadat ze de boomstrook waren doorgelopen zagen ze een grote ruïne op een heuvelrug. Ze zakten onmiddellijk naar beneden en bleven een tijdje zitten op hun hurken en bekeken de ruïne uitvoerig. Solatnat maakte met zijn arm een beweging naar beneden om duidelijk te maken dat iedereen laag moest gaan zitten om niet gezien te worden. Opnieuw ging Solatnat aan de grond luisteren. Hij hoorde zacht stommelen. Dat zou kunnen beteken dat iemand of iets bezig was bij de ruïne. Solatnat maakte duidelijk dat iedereen moest blijven op de plek waar ze nu waren en dat hij op verkenning zou gaan. Hij pakte zijn zwaard uit zijn riem in zijn linkerhand en een lemmet in zijn rechterhand, en sloop dichter bij de ruïne. Toen hij vlak bij de ruïne was, zag hij een verschijning in een donkerbruin gewaad met een capuchon. De verschijning schoof langzaam langs de stenen muren van de ruïne en murmelde af en toe wat. Wat hij murmelde was niet te verstaan. Solatnat bleef nog even zitten kijken. De verschijning maakte wat onduidelijke bewegingen. Het leek erop dat hij een lantaarn vasthield en daar zwaaiende bewegingen mee maakte. Aan de andere kant van het gewaad blonk wat, wat de grootte leek te hebben van een mes of een klein zwaard. De verschijning leek hem niet op te merken maar vreemd genoeg stopte hij steeds als Solatnat dichter bij kwam. Dit maakte Solatnat nog opmerkzamer. Tenslotte stapte Solatnat het ruïnegebied binnen en de verschijning draaide zich rustig naar hem toe en zei: "Kumm bunnnen, kumm bunnen. Kumm duggterbe dunn kunn uk jjju ziun." Het was moeilijk te verstaan. De verschijning sprak binnensmonds op een zeer brommende lage toon. Daarna sprak de verschijning wel steeds duidelijker, het was steeds beter te verstaan. "Uk sug ju al eerder neuderbij. Uk sul ju met vruedsaeme bedeoleingen beskoouwen." Solatnat hield zich nog even stil. Hij keek alleen zeer scherp naar de voorwerpen, de lantaarn en het mes. Het was nu duidelijk te zien dat het een mes was. Een verkeerde beweging en Solatnat zou toeslaan. De verschijning rochelde eerst heel diep en een groen soort vocht schoot op de grond. Er brandde een schroeiplek op de donkerbruine grond. Solatnat deinsde geschrokken terug. De verschijning hoestte nog eens heel diep en sprak weer verder: "Goed, goed, laat uw vrienden van verderop gerust ook hier naartoe komen. Ik zie ze daar dicht bij die bomen zich verschuilen. Ik had u al veel eerder opgemerkt.". De verschijning draaide zich in de richting van de plek waar de anderen nog zaten te wachten en de bruine cape richtte zich in hun richting, alsof de richting werd aangewezen. Solatnat kon nog steeds niet zien of de verschijning een mens was, of een gezicht had. Boven in de capuchon was alleen een schaduw te zien. De verschijning liep weer heen en weer en liet een schaduw achter zich van de lantaarn. Toen Solatnat een stap voorwaarts deed, draaide de verschijning zich snel om, sneller dan Solatnat had verwacht, en een fluim van bijtend vocht kwam vlak voor Solatnat terecht op de grond. Opnieuw brandde er een schroeiplek op de grond. Solatnat bleef verstijfd staan. "Jongeheer, laat ik u waarschuwen geen vechthandelingen of vreemde bewegingen te maken. U zult het van mij verliezen. Nog niemand die het tegen mij op nam is hier levend vandaan gekomen. Kijkt u daar maar.", en de ruïnebewoner wees naar een hoek. Daar lag een stapel van skeletten, boven en door elkaar. "Jongeheer, laat ik u dit zeggen. U bent in gezelschap van een belangrijk persoon maar zelfs met zijn koninklijke kracht zal het hier uw bittere eind worden met kwade bedoelingen." Zou deze verschijning weten van Tolecnal, van zijn koninklijke achtergrond. Wat was dit een vreemde, eenzame gedaante? Hij moest weten wat deze verschijning allemaal wist. Hij vond dat er iets vreemds aan de gang was. Hij wantrouwde deze verschijning, wantrouwde duidelijk. Maar hij kwam tot de conclusie dat hij waarschijnlijk geen andere keus had dan de anderen te laten komen. "Wie bent u en wat heeft u hier gebracht in dit eenzame gebied?", vroeg Solatnat met een duidelijke, scherpe taal. Hij wilde proberen om meer duidelijkheid te krijgen. "Jongeman, enig respect is op zijn plaats. U graaft in donkere spelonken zonder te weten waar aan u begint. Wees dus voorzichtig. Een verkeerde stap zou u in de afgrond kunnen storten." De verschijning richtte zich weer in de richting van het gezelschap. "Laat uw metgezellen waarmee u bent gekomen, deze kant op komen.", zei de ruïnebewoner nogmaals, maar nu met meer nadruk, alsof ongeduld een rol begon te spelen en deed zelfs een aantal passen in hun richting. "Angst zal u niet helpen en zeker niet uw metgezellen. U alleen bent makkelijk te verslaan en als strijder bent u zeker van groot nut voor dat gezelschap daar." En weer wees de verschijning die kant op. "Wie bent u heer en wat doet u hier heer?", drong Solatnat nogmaals aan met nu met grotere beleefdheid. "Als uw metgezellen zich hier vervoegen, dan zal ik meer vertellen over mezelf en dan zal het u duidelijk worden wat ik hier doe." Solatnat begon door te krijgen dat deze verschijning sterker was dan hijzelf. Enige voorzichtigheid was geboden en daarom maakte hij een arm- en handgebaar, waarmee hij duidelijk maakte dat de anderen moesten komen, dat er geen gevaar dreigde. De groep kwam met grote voorzicht naar de grote ruïne toe lopen. Ze gingen in een halve cirkel om de verschijning staan, terwijl Solatnat bleef staan op de plaats waar hij stond. "Welkom, welkom, uwe hoogheden.", gniffelde de ruïnebewoner. Het leek alsof hij de humor van deze situatie inzag. Iedereen van het gezelschap bleef stil maar keek wel met grote aandacht naar de donkerbruine mantel met capuchon, en de flikkerende lantaarn en het blinkende mes. Tolecnal keek scherp om zich heen om iets te ontdekken waar hij iets mee kon. Onmiddellijk merkte hij de stapel skeletten in de donkere hoek op. Hij liet niet merken dat hij hiervan schrok. (wordt vervolgd) |
Reageer op deze Tekst: |