| Schrijver | Tekst |
| hans hartgers
30/04/2008 13:46:41 |
Titel: AardigTerwijl ik wat door een antiquariaat loop te scharrelen komt er een bekende figuur binnenlopen. Gerrit Komrij. Of is `t `m niet? Wacht `s… even terug zag ik een boek van Komrij liggen. Ik zoek het op om de foto op de achterflap te vergelijken met het gezicht van de bezoeker. Hij lijkt er wel érg veel op. De eigenaar van het antiquariaat heeft hetzelfde vermoeden en doet verschrikkelijk zijn best om Komrij niet aan te kijken. Hij is duidelijk onder de indruk van dit hoge bezoek. Het bezoek zelf heeft niets in de gaten of inmiddels heel veel ervaring met de publieke herkenning van zijn persoon. Een kennis van de eigenaar is minder verlegen en spreekt de grote dichter aan. ‘U bent toch Gerrit Komrij?’Gerrit Komrij knikt en zegt: ‘Die ben ik inderdaad.` De karakteristieke stem doet elke twijfel smelten als sneeuw voor de zon. De eigenaar probeert het enthousiasme van zijn kennis in te tomen, maar heeft weinig geluk. `Bent u met een speciale reden in de stad?` vraagt de kennis verder.Een goede vraag vind ik: We bevinden ons in een provinciestad in het Oosten van het land. Niet een plek waar grote dichters de deur plat lopen. Komrij antwoordt dat hij deze namiddag in de buurt een lezing dient te geven. De kennis stelt nog een paar vragen, maar ik vind het niet zo interessant meer nu ik weet dat de man inderdaad Komrij is. Ik heb weinig met gedichten en nog minder met Bekende Nederlanders. Als ik een half uurtje later gevonden heb wat ik zoek loop ik naar de kassa om af te rekenen. Inmiddels heeft Komrij ook wat van zijn gading gevonden. Hij is me nét voor. Nu de uitbater rechtstreeks geconfronteerd wordt met de door hem blijkbaar aanbeden dichter heeft hij een hoofd als een biet gekregen. De vrijzinnige kennis is verdwenen, net nu de boekverkoper hem zo hard nodig heeft. De arme man bekijkt de boekjes die Komrij uitgezocht heeft. Hij lijkt te schrikken van de prijs in een van de drukwerkjes. `Deze is geprijsd op 50 Euro, maar ú mag hem meenemen voor 25 Euro,’stamelt hij in de richting van Komrij. Hij krimpt ineen als hij beseft dat hij dat ‘u’ heel nadrukkelijk uitgesproken heeft. Alsof hij Komrij een speciale behandeling geven wil. ‘Oh,’ zegt deze verbaasd, ‘Waarom zet u er dan 50 Euro in?’Komrij is zo te horen niet gediend van speciale behandelingen. Nu zit de eigenaar zwaar in de problemen. Hij begint te stotteren en zijn hoofd is nog roder dan daarnet. Komrij blijft onverbiddelijk. ‘Nou… Kijk… Het boek is te duur geprijsd!’ hakkelt de gekweldehandelaar. Komrij vindt ook deze uitleg niet toereikend: ‘Ja, maar waarom zou u zoiets doen?’ De verkoper legt uit dat hij sommige bijzondere boeken heel fors prijst. Dat schijnt Komrij schijnt een normale zaak te vinden. Hij knikt tenminste. `Kijk,’ klungelt de verkoper verder, ‘en als ik dan iemand áárdig vind, dandoe ik er wat af. Even is het muisstil in de zaak. Dan dringt het tot de geplaagde boekenman door dat hij zojuist heeft staan slijmen met de grote Komrij. Dat was niet de bedoeling! Het ging per ongeluk! Van de zenuwen! Hij is in de war! Hoe kan hij dit weer ongedaan maken? ‘Niet dat ik ú aardig vind!’ gooit hij er wanhopig uit.Zijn gezicht verraadt de verschrikte gedachte die door zijn hoofd flitst: Oh nee! Wat heb ik nú weer gezegd?! Komrij besluit het er bij te laten, rekent zijn boekjes af en verlaat het pand. Daarna ben ik aan de beurt. De handelaar is er met zijn hoofd – dat weer de normale kleur heeft - duidelijk niet bij. Het zelfverwijt is van zijn gezicht af te schrapen. Als ik de winkel verlaat neemt hij zijn hoofd in zijn handen en laat het met een dof tikje voorover op de tafel zakken. |
Reageer op deze Tekst: |