vernieuwen Pagina Vernieuwen | Naar Beneden 
SchrijverTekst
ate

24/04/2008
22:32:04
Titel: Een nieuwe broek



Een nieuwe broek

Mijn broer zit al aan tafel als ik ´s morgens de kamer binnenkom. Hij eet een boterham met jam en maakt ondertussen zijn nagels schoon. Hij is lang en mager en heeft lange, bleke handen met grote nagels, waaraan nu één voor één een wit randje verschijnt. Af en toe spreidt hij keurend zijn vingers om het resultaat van zijn werk te bekijken. Tussendoor neemt hij steeds een hap van zijn boterham. Hij doet dit elke morgen in alle rust. Ik vind het een mooi ritueel om naar te kijken. Ik snap niet dat hij er zo kalm de tijd voor kan nemen, want zelf ben ik altijd gehaast. Ik gun mijzelf nauwelijks de tijd om te gaan zitten, laat staan om mijn nagels schoon te maken. Mijn broer werkt. Hij zit 's morgens keurig in het pak aan tafel, alsof hij niet in de woelige drukte van ons gezin thuishoort. Voor mijn gevoel zit hij al op z'n werk. Ik loop naar de gang, trek mijn jas aan, pak mijn schooltas en controleer de inhoud. Ik heb niet veel aan mijn huiswerk gedaan, maar met een beetje geluk kom ik de dag wel door. Buiten trek ik de rits van mijn jas dicht.

Mijn fiets staat op de oprit. Het is een ouderwetse herenfiets die ik van mijn oom heb geërfd. De zwarte handvaten glimmen van trots, lijkt het wel. Ik ben blij dat ik op deze oude fiets van mijn oom mag rijden. De eerste weken zei mijn moeder steeds dat ik heel voorzichtig moest zijn met de fiets, omdat de fiets haar zo dierbaar is. Ik stop mijn tas onder de snelbinder en stap op. Ik rij via de Stadhouderskade, waar dominee Baakman woont. Vandaag komt zijn vrouw bij ons op bezoek. Ze komt mijn moeder helpen met kleren naaien. Ik vind dat helemaal niks, want het geeft een vreemde stemming in huis, waardoor ik me gespannen voel.

Wanneer ik op de Statenlaan ben, zie ik dat er vlak een ongeluk gebeurd is: veel mensen, een overvalwagen van de politie en een ziekenwagen. Als ik dichterbij kom zie ik een deken op de grond liggen. Er ligt iemand onder. Een stuk van het stuur van een fiets steekt onder de deken uit. Ik word warm van binnen en met een mengeling van nieuwsgierigheid en voorzichtigheid rij ik langzaam achter de mensen langs tot ik stop op een punt waar ik het goed kan zien en toch niet te dichtbij sta. Dan draai ik mij om en zet mijn fiets tegen een heg. Nu kan ik mij gemakkelijker tussen de mensen bewegen. Ik hoor flarden van gesprekken en probeer er uit op te maken wat er gebeurd is. Ik kijk naar de deken, het fietsstuur en de ziekenwagen. Het ambulancepersoneel staat druk te overleggen met de politie. Ik kijk naar dit alles en probeer het zo goed mogelijk in mij op te nemen. Ik zoek steeds een ander plekje om alles nog weer beter of vanuit een andere hoek te kunnen bekijken. Rustig loop ik rond de ambulance en de politiewagen. De brancard wordt uit de ambulance geschoven en naast de deken gelegd. Het slachtoffer wordt zorgvuldig met deken en al op de brancard gelegd. De fiets verdwijnt in de overvalwagen. Het gebeurt allemaal zo snel dat ik bijna niets van het slachtoffer zie, behalve een schoen en een klein stukje van een lichtbruine ribbroek, maar dat is genoeg. In een flits slaat het door mij heen: het is een jongen uit mijn klas. Een waas trekt voor mijn ogen, ik draai mij om en zie een tram langsrijden over de Straatweg. Ik kijk naar de silhouetten van de mensen in de tram. Dat maakt me weer wat rustiger. De ambulance rijdt weg met zwaailicht. Pas veel later hoor ik de sirene, die eerst traag op gang lijkt te komen en dan langzaam in de andere geluiden wordt opgenomen - ik luister tot ik het niet meer hoor. Ik kijk om mij heen. Op de plek waar ik bloed verwacht zie ik zand liggen. Ik loop naar mijn fiets. Mijn tas zit er nog op. Ik loop met mijn fiets naar de Straatweg en stap op. Als ik op school kom is het al ver over half negen en het zou stil moeten zijn voor de school, maar op straat zie ik iedereen druk met elkaar in gesprek. Er heerst een nerveuze spanning. Ik hoef niets te vragen. Ik zoek mijn klasgenoten op en luister naar de ontgrendelende waarheid.

Als we even later in de klas zitten, hoor ik hoe het precies gegaan is. Hij reed naast een andere jongen. Hun sturen raakten in elkaar en ze vielen allebei een kant op, hij tussen de wielen van een vrachtwagen, de andere jongen viel op de stoep. Hij is dood en de ander met een shock naar huis gebracht. Waarom niet ook naar het ziekenhuis, denk ik. Ik zie opnieuw het beeld van het stuur dat onder de deken uitsteekt. Als op een groot beeldscherm zie ik steeds opnieuw het stuur, waar een vreemde knik in zit, alsof het verbogen is tot een vraagteken. We praten de hele morgen over het ongeluk. Van lesgeven komt niets meer. De klassenleraar weet ook niet goed wat hij er mee aan moet. Hij is zelf waarschijnlijk net zo van slag als wij, weet ook niet wat goed is om te doen. We willen alleen maar praten, want iedereen weet een klein stukje van het geheel en zo vullen we elkaars verhalen aan, in een sobere stemming die normaal gesproken niet bij ons past.

Als ik veel vroeger dan normaal thuiskom, zit de vrouw van de dominee achter de naaimachine. Ik vertel mijn moeder en haar wat er gebeurd. Ze reageert heel ingetogen en meelevend. Dat kan ze heel mooi. Het is wel duidelijk dat ze al veel verhalen over de meest gruwelijke sterfgevallen in ernst heeft moeten aanhoren. Het doet iets met mijn gevoel op dat moment en het belemmert mijn moeder in haar natuurlijke reactie. Het is alsof onze intimiteit geschonden wordt door haar serene aanwezigheid. Haar gedrag zegt mij dat het maar beter is dat ik wat afstand houd en dat ik me gedraag als zij in de buurt is. Pijnlijk voel ik dat ik dan zelf ook meer onecht ben, maar ik zie geen andere oplossing. Wanneer ze later die middag vertrokken is, kijk ik mijn moeder veelbetekenend aan, maar mijn moeder geeft geen krimp en ik waag het niet ook maar iets over de vrouw van de dominee te zeggen. Geen onvertogen woord komt over mijn lippen. We praten over het ongeluk, over die jongen uit mijn klas, over zijn ouders, over hoe erg het voor hen is. We praten niet over de vrouw van de dominee.

Later die week wordt hij begraven op Hofwijk. Ik ben opnieuw van slag: oude mensen gaan dood, niet jonge mensen. De mensen om mij heen zijn stil en wachten. Het is koud en dat is goed. Even later draait de lijkwagen met bloemenzee langzaam de begraafplaats op. Het grind knerpt onder de banden. Het geluid van het grind maakt de stilte nog dieper. Ik hou van grind. We lopen naar het graf. Even later zakt de kist. Ik stel mij voor hoe hij in de kist ligt. Ik loop langs het graf, ik kijk naar beneden, naar het blanke hout met de koperen handvaten. Ik zie de bloemen. Dan draai ik mij om en maak mij los van de anderen, loop naar mijn fiets, haal hem van het slot en stap op. Ik rijd weg en kijk niet om. Ik kijk naar het stuur van de fiets van mijn oom, die ook dood is - die ook heel jong doodgegaan is – besef ik nu. Ik zie opnieuw de ogen van mijn moeder. De tranen in haar ogen - om haar broer, weet ik nu. En ik fiets zo hard als ik kan naar huis.

- Hoe was het? vraagt mijn moeder.
- Koud, zeg ik.
- Maar het was wel een mooie begrafenis?
- Het was een heel verdrietige begrafenis, zeg ik.
- Kom, zegt mijn moeder, je moet deze broek even passen. Die heeft mevrouw Baakman voor je gemaakt.


warket

25/04/2008
00:31:19
Re: een nieuwe broek


Bijzonder goed geschreven verhaal.

groet,

warket


ate

26/04/2008
00:09:24
Re: een nieuwe broek


Dankje Warket,
Ik heb het nog ernstig herschreven - dat heeft wel geholpen kennelijk.
Groet,
Ate



 Naar Boven

Reageer op deze Tekst:

Naam:
Email:
Publiceer mijn E-mail:
Titel:
Proza: