vernieuwen Pagina Vernieuwen | Naar Beneden 
SchrijverTekst
kees niesse

17/04/2008
22:05:37
Titel: Engelen bestaan echt.



Engelen bestaan echt.

Ze hadden heerlijk gegeten die avond. Hachee met veel vlees en aardappelen.
Het smaakten Wouter en Mien voortreffelijk. Na een avondje televisie kijken ging het oude echtpaar om elf uur naar bed. Wouter had last van slapeloosheid en nu hij weer in bed lag te draaien wilde de slaap niet komen. Mien lag heerlijk te ronken en liet om het kwartier een keiharde wind, waarschijnlijk van de hachee. Hij lag zich rot te ergeren aan dat mens en stapte het bed uit om het raam wagenwijd open te zetten. Weer die harde knallen. De lucht was ondraaglijk ondanks dat het raam open stond. Hij kon er niet meer tegen. Je kop onder de dekens houden was een poging tot verstikking. Wat zal ik doen, dacht Wouter? Hij nam een besluit en stapte het bed uit en kleedde zich aan.

Beneden in de huiskamer kreeg hij het idee een flinke wandeling te maken in het bos achter hun woning. Hij hoefde alleen maar een weg tussen de weilanden te lopen om in het bos te komen. Een flink eind lopen is misschien het middel om eens goed te slapen, want het sloopte hem die slapeloosheid. Hij keek op zijn klokje, het was al drie uur. Trok zijn jack aan en verliet zijn huis. Het was koud buiten. De lucht was gedeeltelijk bewolkt en de maan stond op zijn eerste kwartier, dus genoeg licht om de paden in het bos te zien. Opgewekt liep hij over de weg tussen de weilanden, die bedekt waren met een laag grondmist. Het leek wel of hij tussen twee meertjes liep. Hier ruikt het beter dan in mijn nest, dacht hij met een glimlach om zijn mond. Heerlijke frisse lucht in de nacht. In het bos kwam hij helemaal tot rust. Hier genoot hij van de stilte. Laat Mien maar knallen, dacht hij. Hier heb ik er geen last van.

Na een kwartier lopen kwam hij bij een plek waar geen bomen stonden. Ook daar was de grond bedekt met een dikke laag mist, die langzaam het bos in trok. Hij maakte zich ongerust en hoopte dat de mist niet dichter werd, want de maan was ook al verdwenen boven een gesloten wolkendek. Het werd pikdonker. Waar ben ik aan begonnen, dacht hij. Het werd op een gegeven moment zo donker, dat hij op de tast terug wilde gaan, maar hij was de weg kwijt geraakt. Welk pad moet ik in godsnaam nemen, dacht hij. Hij wist het niet meer. Maar zijn ogen waren aan de duisternis gewend geraakt en kon toch nog iets onderscheiden. Hij zag een omgevallen dikke boom, waar hij zich bijna aan stootte en ging erop zitten.

Terwijl hij daar op die boomstam zat uit te rusten kreeg hij een angstaanval met hartkloppingen en zweten. Stel je voor, dat ik hier een hartaanval krijg of wat anders, waarbij ik flauw val. Niemand kan mij helpen in deze verlaten wereld.
Ik moet diep ademhalen en heel rustig uitademen, want dat is de methode om rustig te worden en inderdaad het hielp. Zal ik bidden en vragen of God mij naar huis kan helpen?, dacht hij.
Hij kwam wel uit een familie waar over God nooit gesproken werd. Zijn vader zat meer in de gevangenis dan thuis en zijn moeder liep de hele dag te schelden en te vloeken tegen het grote aantal kinderen. Wouter verliet al vrij jong zijn ouderlijk huis, want een innerlijke beschaving dwong hem daartoe. Hij had genoeg van al dat gespuis.

Een paar jaar geleden had hij gesprekken gehad met een gelovige buurman, die hem een bijbel had gegeven. Wouter las vooral het Nieuwe Testament grondig door en zag op den duur wel wat in het geloof. Er moet toch meer zijn tussen de hemel en de aarde, dacht hij. Zouden er ook engelen zijn? Wouter moest opeens lachen, want hij herinnerde zich een dag, toen de gelovige buurman op visite kwam om hem bijbelles te geven. Mien zat maar met haar hoofd te schudden en vond het maar allemaal grote onzin. Wouter veranderde met de dag. Zoals gewoonlijk zoop hij elke dag een paar borrels en ettelijke flesjes pils en rookte hij een pakje shag om de twee dagen. Maar na zijn bekering nog maar één flesje bier per dag en met roken was hij gestopt. Mien ging gewoon door met het roken van grote sigaren, dat vond ze heerlijk en maar koffie zuipen. Maar de bekeerling ging daar tegen protesteren, maar daar had Mien maling aan. Wouter begon haar te betuttelen, zoals tegenwoordig onze regering dat doet.

Zo zat hij daar op die boom daaraan te denken. De mist was ook in het bos doorgedrongen en hij zag geen hand meer voor zijn ogen. Er zat niets anders op dan maar te wachten totdat het licht werd, maar het werd ook nog gemeen koud en hij zat te rillen als een rietje. Hij vouwde zijn handen en smeekte de Lieve Heer hem te helpen om bij zijn Mien te komen. Ze zal nou toch wel niet meer stinken?, hoopte hij. Ik moet toch eens in een boek van de bibliotheek opzoeken hoelang je blijft rotten na het eten van hachee. Daar zullen toch wel gegevens over zijn, dacht Wouter. Plotseling hoorde hij een zacht gerucht en zag tot zijn grote verbazing de gedaantes van twee engelen, die hem tussen zich namen. Het is dus geen verzinsel. Engelen bestaan wel degelijk.

God heeft zijn gebed gehoord en heeft twee van zijn hulptroepen gezonden om hem naar huis te begeleiden. De engelen namen hem tussen hun in en brachten hem naar de uitgang van het bos, hoewel het voor een mens onmogelijk was de juiste weg te vinden. Bij de uitgang van het bos verdwenen de engelen zo snel als ze waren gekomen. Nu kon hij de weg naar huis wel vinden, want die weg kon hij wel dromen. Toen hij bij zijn huis was gearriveerd zag hij een politieauto voor de deur staan en zag ook het licht in huis branden.
‘’Attenoje, Mien heeft mij natuurlijk gemist en heeft de politie gebeld’’, zei hij binnensmonds.
Hij belde aan en een agent opende de deur en zei:
‘’Hé rakker, waar heb jij gezeten. Een paar man zijn je aan het zoeken. Kom binnen.’’

Ze wilde weten wat hij gedaan had en moest een verklaring afleggen. Mien had al koffie voor de heren gezet en ze moesten lachen hoe Wouter vertelde waarom hij aan het wandelen was geslagen. Mien keek hem vuil aan, zit ie mij een beetje zwart te maken, de ploert. Het verhaal over die engelen had hij maar niet verteld, want dat zouden ze toch niet geloven, maar het was wel waar. Ze bestaan echt, net als demonen, die de mensen op het slechte pad brengen.
De agenten gingen weer naar hun bureau en Wouter dook het bed in en lag spoedig heerlijk te maffen.

Kees Niesse.







 Naar Boven

Reageer op deze Tekst:

Naam:
Email:
Publiceer mijn E-mail:
Titel:
Proza: