| Schrijver | Tekst |
| ate
12/04/2008 21:03:28 |
Titel: De ogen van mijn moederDe ogen van mijn moeder Het is al lang geleden, maar ik heb geen foto nodig om het beeld voor me te zien: we zitten aan tafel op zondag tussen de middag. We eten aardappels, sperzieboontjes en een karbonaadje, zoals we dat bijna elke zondag eten. Mijn vader heeft een wit overhemd aan en vermoedelijk een stropdas, die dan een beetje los zit. Z'n haar zit netjes. Hij heeft sinds een paar jaar leesglaasjes en nog geen baard. Hij is net zo oud als ik nu. Hij zit aan het hoofd van de met lichtblauw damast gedekte tafel. Aan het andere hoofdeinde van de tafel zit mijn moeder. Links van mijn moeder zit mijn jongste broer, die eet. Rechts van haar zit mijn oudste broer, die al uit huis is maar nu bij ons op bezoek is met zijn vriendin, die naast hem, zit. Ik zit rechts naast mijn vader en tegenover de vriendin van mijn broer. Mijn moeder kijkt schuin naar het haar van mijn oudste broer dat ze met haar hand uit z'n ogen strijkt: de mensen willen je ogen zien. De vriendin van mijn broer kijkt naar mijn moeder. Ik kijk naar de vriendin van mijn broer. Waar de rest van de familie is weet ik niet. En ik weet ook niet wie de foto genomen heeft, maar het zal mijn zusje zijn op het toestel van mijn broer, want zo ging het meestal. Mijn moeder heeft haar hoofd iets schuin opgeheven, want ook zij heeft sinds kort leesglaasjes en kijkt daardoor om scherper te kunnen zien. Ze observeert meer dan ze kijkt. Zo kijkt ze ook vaak naar mijn nagels, mijn kleren en natuurlijk mijn haar, lengte, netheid en schoonheid zijn belangrijke onderdelen in het oordeel van mijn moeder., waar ze nooit meer dan vier woorden voor nodig heeft: ga je nagels schoonmaken, ga je haar kammen, doe je das recht, ga naar je kamer. Als ze het nog niet helemaal weet en wat langer tijd nodig heeft, heeft ze aan twee woorden genoeg om tijd te rekken: sta stil. Zo houd ze haar bongels in het gareel. Protesten voelen als het tarten van de zwaartekracht - haar oordeel is universeel. Tijdens de vaak uitvoerige inspecties geeft ze mij onbewust de tijd om haar op mijn beurt op te nemen: haar donkere haar, dat hier en daar al grijs begint te worden, met een knotje achterop en een eenvoudige lok over haar voorhoofd, zodat de bult daar niet te zien is, haar strenge, maar heldere ogen, haar koele slanke handen, die naar Atrix ruiken, haar op zondag altijd charmante jurken en met een beetje geluk haar hoed die ze met grote zorgvuldigheid op haar hoofd parkeert en die pas weer af gaat als we uit de kerk komen. Parkeren is nog een te grof woord, het is meer als het landen van een vliegende schotel, langzaam, zorgvuldig en voorzichtig. Als de hoed goed zit wordt er een hoedenspeld doorheen gestoken die ook door haar knot steekt, denk ik. De rust waarmee ze haar haar doet en haar hoed op zet, vormt een groot contrast met de gehaastheid waarmee ze haar lauwe thee opdrinkt en ons tot spoed aanmaant. Ze lijkt nooit tijd te hebben - of altijd te weinig. Nu - nu we aan tafel zitten is ze tot rust gekomen en kan ze zich weer op onze tafelmanieren en ons uiterlijk richten. In gesprekken mengt ze zich alleen als wij elkaar met te grof verbaal geweld te lijf gaan. Verder laat ze de discussie aan ons en mijn vader over, die nu een wat gelaten indruk maakt, maar aan de gesprekken altijd een wezenlijke bijdrage levert. Als de emoties tijdens de gesprekken erg hoog opgelopen zijn, zie je hem rustig in de bijbel bladeren. De maaltijd wordt dan besloten met een tekst uit Spreuken, zijn favoriete bijbelboek: Beter een droge bete en rust daarbij, dan een tafel van overvloed waarover men twist. Als hij zelf ruzie met mijn moeder heeft gehad leest hij ook uit Spreuken: Een kijvende vrouw is als een gestaag lekkend dak. Mijn moeder kijkt dan getergd naar haar lege bord of glimlacht ons streng toe opdat wij niet zullen lachen. Hij heeft het een paar keer gedaan herinner ik mij en op een vreemde manier droeg het toch ook weer bij aan de huiselijke vrede. Na het bijbellezen en zijn dankgebed nam mijn moeder het roer weer moeiteloos over: Niet met lege handen naar de keuken! Ik zie mijn vader. Hij heeft een wit overhemd aan. Hij heeft nog geen baard. Hij is ongeveer net zo oud als ik nu. Jonger nog. Hij stapt in de auto en gaat weg, of hij komt net thuis en stapt uit de auto. Hij brengt vrolijkheid en luidruchtigheid met zich mee - en rust en vertrouwen. Hij is degene aan wie ik mijn verhalen vertel, over wat ik op school gedaan heb, over de buurman die mij opsloot in het kippenhok, over de fiets van mijn zusje, waarvan iedereen dacht dat-ie gestolen was, terwijl ik er mee weg was, over de misselijkheid die ik voelde na een schoolreisje, over die mevrouw die een emmer water over onze hond gooide omdat hij was weggelopen. Nou ja, hij was bij ons teruggekomen, nadat wij hem aan die mevrouw gegeven hadden. Waarom we de hond hadden weggedaan weet ik niet, maar zomaar een emmer water over hem heen gooien, dat wist ik nog wel. Dat weet ik nog. Zo gaan die dingen. Als ik het aan mijn moeder vraag dan was mijn vader veel van huis. Hij was vertegenwoordiger in wijnen en dan maak je wel eens lange dagen. Zo vertelde ze mij ooit dat ze op Sinterklaasavond met zijn baas, ook nog zijn kalfbroer, had gebeld omdat ze met alle kinderen en de cadeautjes te wachten zat en vond dat mijn vader op Sinterklaasavond thuis moest zijn. Mijn vader vond het altijd leuk om aan iedereen die het maar horen wilde te vertellen wat een kalfbroer is - geen halfbroer, nee een kalfbroer. Zelf heb ik het idee dat mijn vader er altijd was. Dat hij juist in de manier waarop hij van huis ging heel erg aanwezig was, met een uitgebreid ritueel van groeten en afscheid nemen, hoewel hij nooit vertelde waar hij heenging. Als ik hem vroeg, zei hij altijd naar de grote grijze wolf. Soms, als ik vrij was van school, dan mocht ik met hem mee, maar nooit gingen we naar de grote grijze wolf en nooit ook bracht hij het dier ter sprake als we eenmaal onderweg waren. Ik dacht er eerlijk gezegd ook helemaal niet aan, want het was veel te leuk en te spannend om met mijn vader naar zijn klanten te gaan. Ik kende al een heleboel slijterijen en supermarkten, maar het leek wel alsof mij vader er steeds weer nieuwe bij bedacht. Ik zie de beelden voor me, toch is het al jaren en jaren geleden. Ik zit aan tafel. Het is morgen zondag. Dan eten we aardappels, sperziebonen en een karbonaadje bedenk ik opeens. We hebben vanmiddag boodschappen gedaan. Ik ben ongeveer net zo oud als mijn vader toen, iets ouder nog. We hebben geen kinderen, maar mijn vrouw is zwanger en ik heb leesglaasjes, al zie je dat niet. De gedachte dat het een meisje is ontroert mij. Een meisje. Papa’s meisje. In de ogen van mijn moeder zie ik mijzelf als vader. Het is een wonderspiegel. Een regenplas. Een regenplas waarin de toekomst gespiegeld wordt – een strakblauwe hemel, takken van bomen. Er komt een meisje aangelopen. Ze stapt dapper door de plassen en verbreekt de weerspiegeling. Roze laarsjes met witte stippen. |
| warket 12/04/2008 22:44:02 | Re: de ogen van mijn moederGoed beschrijf. Woordkunstenaarsschap. Ga ik in een vroeg morgenduur herlezen. groet, warket |
| ate 13/04/2008 20:05:35 | Re: de ogen van mijn moedermooi, dankje warket |
Reageer op deze Tekst: |